Het begin

 

De Roverfabriek, gelegen in de voorstad Solihull ten zuid-westen van Birmingham en waarin de oorlog Spitfires and Lancasters werden gebouwd, had na de oorlog overcapaciteit. Om de fabriek weer van werk te voorzien, opperde iemand uit de staf van de Rover-fabriek om voor de boeren een auto te maken, die zowel op het land als op de hoofdwegen kon worden gebruikt. Enkele Amerikaanse Willy Jeeps werden gekocht en compleet uit elkaar gehaald om de techniek zeer uitgebreid te onderzoeken. In 1948 hadden de mannen van de Rover-fabriek hun eigen terreinwagen: ‘de Land Rover ’. Omdat staal na de oorlog schaars was, en er nog veel aluminiumplaat verkrijgbaar was (voorraad van de oorlogsvliegtuigbouw) was de carrosserie van aluminium gemaakt. De eerste Land Rover werd in 1948 aan het publiek gepresenteerd. Destijds was er slechts een model, dat pas achteraf - namelijk vanaf de introductie van de series II in 1958 - aangeduid werd als Series I. Aan de wielbasis van 80 inch die voor dit type gold is de latere gewoonte ontleend om Land Rovers aan te duiden met benamingen als 80", 86", 88" en 109".

Toenemende concurrentie maakte het noodzakelijk, om de Series I door een moderner model te vervangen. In 1958 werd daarom de Series II geďntroduceerd. Dit model werd gebouwd tot en met 1961.

 

 

Serie 2/2A

De Serie IIA werd geďntroduceerd in september 1961. Het ging om een kleine wijziging, namelijk de vergroting van de 2,0 liter dieselmotor naar 2286 cc. Een series II en IIa zijn op het oog dan ook vrijwel niet te onderscheiden.

Bij de eerste types Land Rovers (series I,II en IIA) zitten de koplampen tussen de spatborden. Na circa 1968 kwam daar verandering in. De koplampen werden verplaatst naar de spatborden. Vanaf begin 1968 vereisten aangepastte wetten voor zowel de Nederlandse als de Amerikaanse markt een minimumafstand tussen de koplampen die in de oude positie niet te realiseren viel. Met deze wijziging kreeg de auto een nieuw type grill; een metalen raster in de vorm van een plusteken.

 

Serie 3

Uiterlijk gezien veranderde er weinig toen de IIa in oktober 1971 opgevolgd werd door de Series III. De wijzigingen hadden vooral te maken met aangescherpte veiligheidseisen en toegenomen concurrentie. In overeenstemming met de vroegere jaren zeventig trends in auto interieur design, werd het eenvoudige metalen dashboard van de eerdere modellen herontworpen. Het dashboard werd veel ergonomischer en werd  met zachte kunststof bekleed. Het instrumentenpaneel, dat eerder centraal gelegen was, werd verplaatst naar de kant van de bestuurder. Van buiten werden de voorheen ver uitstekende scharnieren door een plattere versie vervangen. Ook de bevestiging van de neerklapbare voorruit werd om redenen van veiligheid naar binnen verplaatst. De meest zichtbare wijziging was de nieuwe kunststof grill.

De Serie 3 was het eerste model met de aandrijflens op alle vier versnellingen. De lange-wielbasis serie III voertuigen hadden de sterkere Salisbury achteras als standaard. In 1980 werden de motoren (zowel benzine als diesel) bijgewerkt met vijf dragende zuigerstangen om ze sterkte te maken. Op hetzelfde moment werden ook de transmissie, assen en wielnaven opnieuw ontworpen voor grotere sterkte.

 

De County

Ook in 1982 werden er veranderingen doorgevoerd om de serie 3 comfortabeler te maken. Deze veranderingen mondde in April 1982 uit met de introductie van de "County"stationwagen. De County had comfortabele stoelen, geluidsisolatie en getint glas. Ze was beschikbaar in zowel 88-inch en 109-inch.

 

Stage 1 en de V8

In 1979 maakte financiële steun van de Britse regering de ontwikkeling van een nieuw topmodel mogelijk; de "stage one V8". In dat jaar werd de 2.6 liter benzinemotor vervangen door de 3.5liter V8 benzinemotor zoals deze ook in de Range Rover gebruikt werd. Om ruimte te scheppen voor dit grotere motorblok, kreeg dit model een gewijzigde en vlakkere neus. Daarnaast maakte de gewijzigde versnellingsbak het tot het enige serie III voertuig met een permanente vier wielaandrijving. ‘Stage 1 ’  verwijst naar de eerste fase van investeringen door de Britse regering in het bedrijf. Dit om de Land Rover beter in de hevig concurerende markt te zetten.  Uiteindelijk leidde al deze verbeteringen tot de Land Rover Defender. 

 

Eind van een tijdperk

In 1983 werd de Series III (die echter nog werd gefabriceerd tot 1985) opgevolgd door een volledig vernieuwd model, kortweg "110" genoemd naar zijn wielbasis van 110 inch. Spoedig volgden de 90 inch en 127 inch. De naam "Defender" werd in de vroege jaren '90 gekozen om een duidelijker onderscheid te maken tussen de seriemodellen enerzijds, en de snel luxueuzer wordende andere modellen van Land Rovers, anderzijds. De naam Defender verwijst naar het militaire karakter van de wagen.

De serie III was een veel voorkomende Land Rover, met 440.000 van het type gebouwd van 1971 tot 1985

 

Geschiedenis